NL / FR / ENG
Home / Geschiedenis

Geschiedenis

Van bij haar oprichting in 1980 heeft NIRAS onderzoek verricht naar de mogelijkheden van berging van radioactief afval. Vanaf 1998 opteerde NIRAS voor participatie van de bevolking in de gemeenten waar een bergingsinstallatie zou kunnen komen. Dat heeft geleid tot een unieke benadering waarbij alle aspecten en voorwaarden werden bestudeerd in een actief samenwerkingsverband: de lokale partnerschappen.

1985-1997: verkennende studies

Aanvankelijk bestudeerde NIRAS de bergingsmogelijkheden enkel vanuit wetenschappelijk en technisch oogpunt. Het onderzoek spitste zich toe op de veiligheid en de haalbaarheid van een bergingssysteem. Door de algemene tegenstand waarmee NIRAS geconfronteerd werd, had ze echter geen enkel perspectief om ergens in België een bergingsinstallatie te kunnen bouwen.

1998-2006: maatschappelijke benadering

In de beslissing van 16 januari 1998 gaf de regering aan NIRAS de opdracht om verder te werken in de richting van een definitieve oplossing, maar zich bij het onderzoek te beperken tot de bestaande nucleaire zones en tot zones waar de lokale autoriteiten interesse toonden. NIRAS moest ook de nodige overlegstructuren ontwikkelen om een bergingsproject maatschappelijk te integreren.

NIRAS herzag toen haar benaderingswijze. Ze deed afstand van de klassieke ingenieursbenadering die ze tot dan toe had gevolgd en verving die door een participatieve benadering. De bekommernissen over veiligheid, milieu en gezondheid en de wensen van de inwoners van de gemeenten kwamen op de eerste plaats. Het voorstel van NIRAS leidde tot de oprichting van drie lokale partnerschappen:

  • STOLA-Dessel (Studie- en Overleggroep Laagactief Afval): partnerschap tussen Dessel en NIRAS
  • MONA (Mols Overleg Nucleair Afval categorie A): partnerschap tussen Mol en NIRAS
  • PaLoFF (Partenariat Local Fleurus-Farciennes): partnerschap tussen Fleurus en Farciennes en NIRAS

Elk partnerschap had als opdracht een geïntegreerd voorontwerp van berging te ontwikkelen: een bergingsinstallatie gekoppeld aan een geheel van voorwaarden die niet van elkaar gescheiden kunnen worden. De voorwaarden gaan over veiligheid, milieu, gezondheid, controle, leefcomfort en blijvende inspraak, ook voor alle volgende generaties.

Tegen 2006 hadden de drie partnerschappen in totaal vijf geïntegreerde voorontwerpen van berging ontwikkeld. Die werden ter goedkeuring voorgelegd aan de gemeenteraden van de betrokken gemeenten. De gemeenten Dessel en Mol aanvaardden de voorontwerpen van hun partnerschappen, mits de gestelde voorwaarden vervuld zouden worden. Het voorontwerp van PaLoFF werd afgesloten als gevolg van de beslissingen van de gemeenteraden van Fleurus en Farciennes om zich uit het project terug te trekken.

Volgens NIRAS voldeden de voorontwerpen aan de voorwaarden die de ministerraad had geformuleerd in zijn beslissing van 16 januari 1998 en zou de financiering ervan kunnen worden verzekerd met aangepaste financieringsmechanismen.

De geïntegreerde voorontwerpen werden daarop aan de regering overhandigd, wat haar in staat stelde om te beslissen over het verdere verloop van het werkprogramma.

Ontstaan van het cAt-project

IMG_1817.jpg

Op 23 juni 2006 besliste de regering dat het categorie A-afval in een oppervlaktebergingsinstallatie geborgen kan worden op het grondgebied van de gemeente Dessel. Het cAt-project was geboren. Het cAt-project is het resultaat van acht jaar intensief overleg tussen NIRAS, STOLA en MONA. Tijdens die periode ging men de haalbaarheid na van het project voor de Desselse en Molse bevolking. Binnen het partnerschap bepaalde men bovendien de voorwaarden waaraan het cAt-project moest voldoen.